zondag 28 maart 2010

Hoofdstuk 2.2: Het modale ontologische argument

1. Het Ontologische argument van Alvin Plantinga

Een ontologisch argument is een zogenaamd a-priori argument. Dat wil zeggen dat het een argument is dat puur gebaseerd is op logica zelf zonder het gebruiken van data uit de externe wereld. Het eerste ontologische argument werd gevormd in de middeleeuwen door Anselmus van Canterbury.

Anselmus beredeneerde dat het bestaan van God afgeleid kon worden uit het God-concept zelf. Met andere woorden, als God niet zou bestaan dan zouden we niet eens het idee van “God” kunnen hebben. God moet wel bestaan aangezien het feitelijke concept zelf dit noodzakelijk maakt.

Zijn redenatie was dat God per definitie het meest grootse (in de zin van perfectie, niet in de zin van afmeting) wezen was dat kan bestaan. Met andere woorden, als je iets meer perfect kan voorstellen dan God dan is in feite dat, wat je je voorstelt als meer perfect, God.

Zijn argument ging als volgt:

1. God is het grootste/meest perfecte wezen dat men kan bedenken
2. Als God alleen maar in de fantasie bestaat dan kan er een perfecter wezen bedacht worden, namelijk een wezen die ook nog in realiteit bestaat.
3. Aangezien een God die alleen in de fantasie bestaat niet voldoet aan de definitie van wat God is (het meest perfecte wezen) moet er een God bestaan die ook in realiteit bestaat.
4. Conclusie, God bestaat.


Veel filosofen hebben dit argument echter bekritiseert. Bestaan is namelijk geen eigenschap. Met andere woorden: iets kan niet perfecter zijn door te bestaan in plaats van niet te bestaan. Bestaan is een gegeven dat eigenschappen mogelijk maakt. Iets wat bestaat heeft eigenschappen maar iets wat niet bestaat kan dus ook geen eigenschappen hebben.

Anselmus’ argument wordt echter tot op de dag van vandaag verdedigd. Maar ik zal dit argument echter niet verdedigen in dit boek. Er is namelijk een ander ontologisch argument ontwikkelt door een hedendaagse filosoof genaamd Alvin Plantinga. Dit argument is veel krachtiger dan die van Anselmus en is niet gebaseerd op het idee dat “bestaan” een betere eigenschap is.

Plantinga beredeneerde dat ontologische argumenten niet geschikt om te bewijzen dat God bestaat, maar dat het wel geschikt is om de kans dat God bestaat te bevestigen.
Plantinga probeert dan ook met zijn argument niet aan te tonen dat God bestaat, maar dat als het zelfs maar mogelijk is dat God bestaat, dat Hij dan ook daadwerkelijk bestaat.


Alvin Plantinga’s argument bevestigd dus dit:

- Als God KAN bestaan dan bestaat Hij ook daadwerkelijk
- Als God NIET bestaat, dan KAN Hij niet bestaan
- Het is onmogelijk voor God om niet te bestaan als Hij wel had KUNNEN bestaan.


Voordat ik uitleg wat Plantinga’s argument nu eigenlijk is, zal ik eerst moeten uitleggen waar zijn argument op gebaseerd is. Dit argument is zeer nauw verbonden met het contingentie argument en heeft ook te maken met noodzakelijke en contingente entiteiten. Plantinga's argument draait ook weer om het concept van mogelijke werelden. Ik heb dit concept al uitgelegd bij het contigentie argument dus dat zal ik hier niet nogmaals doen.

Nog iets anders dat belangrijk is om te weten is dat Plantinga God definieert als een “maximaal groots wezen” of “een wezen met maximale excellence.

Een maximaal groots wezen is een wezen bij wiens eigenschappen de gradatie alle andere mogelijke gradaties overtreft

Een mogelijke eigenschap is bijvoorbeeld kennis. Je zou bijvoorbeeld kunnen stellen dat wezen X 1% van alle mogelijke kennis beschikt. Wezen Y beschikt over 10% van alle mogelijke kennis. In dat geval is wezen Y dus “grootser” dan wezen X. Of anders gezegd: Wezen Y heeft een hogere excellence op het gebied van kennis dan wezen X.

Een maximaal groots wezen echter beschikt dus over maximale kennis. Met andere woorden: een maximaal groots wezen beschikt over 100% van alle mogelijke kennis.
Een maximaal groots wezen is dus per definitie “alwetend”.

Dit geldt ook voor vaardigheid, aanwezigheid en goedheid volgens Plantiga. Met andere woorden. Een maximaal groots wezen is alwetend, almachtig, overal aanwezig en moreel perfect. (voor de reden waarom morele perfectie hierbij hoort zie het argument van objectieve moraliteit - hoofdstuk 2.6).

Nu kan een maximaal groots wezen geen relatieve of arbitraire eigenschappen hebben. Zo kan je niet zeggen dat een maximaal groots wezen bijvoorbeeld “maximaal moet stinken” (nu lach je daar misschien om, maar ik heb atheïsten echt zulke soort bezwaren tegen het concept van maximale grootsheid zien inbrengen). Stank is op de eerste plaats geen objectieve eigenschap want het is relatief aan wie het ruikt, en verder is het arbitrair aspect dat geen onderdeel uit maakt van de kern eigenschappen van een entiteit of wezen. Ook maximale kwaadaardigheid kan geen eigenschap zijn van een maximaal groots wezen aangezien dit juist een gebrek is. Maximale slechtheid zou dus in feite minimale morele perfectie zijn of beter gezegd de afwezigheid van morele perfectie. (zie ook hier weer het argument van objectieve moraliteit - hoofdstuk 2.6).




Hier volgt Plantinga’s Ontologische argument:

1. Het is mogelijk dat een maximaal groots wezen bestaat.
2. Als een maximaal groots wezen bestaat, dan bestaat een maximaal groots wezen in een mogelijke wereld.
3. Als een maximaal groots wezen in een mogelijke wereld bestaat, dan bestaat een maximaal groots wezen in alle mogelijke werelden
4. Als een maximaal groots wezen in alle mogelijke werelden bestaat, dan bestaat een maximaal groots wezen in de feitelijke wereld.
5. Als een maximaal groots wezen in de feitelijke wereld bestaat, dan bestaat een maximaal groots wezen.
6. Conclusie, een maximaal groots wezen bestaat



Er is 1 punt dat echter meteen in het oog zal vallen als niet direct overduidelijk waar, en dat is punt 3. Punt 2,4,5,6 zullen geen verdediging nodig hebben en worden dan ook nooit door Atheïsten aangevallen. Het argument hangt dus op punt 1 en punt 3.

Laten we beginnen met punt 3. Deze veronderstelling lijkt misschien erg vreemd en controversieel, maar eigenlijk wordt dit door het merendeel aan filosofen als juist beschouwd. Plantinga baseerde dit namelijk op de zogenaamde “axioma S5 van modale logica”

Nu zul je waarschijnlijk zeggen: “die wie van de hoe van de watte??!!”
Ja dat is inderdaad een behoorlijk ingewikkelde term, maar wat het beschrijft is in feite niet zo ingewikkeld.

Axioma S5 stelt dat “mogelijk noodzakelijk” gelijk staat aan “noodzakelijk”. Met andere woorden:

Axioma S5: Als het mogelijk is dat iets noodzakelijk bestaat, dan bestaat datgene ook noodzakelijk

Het kan dus niet dat er een mogelijkheid is voor de noodzakelijkheid van een entiteit, maar dat de entiteit toch niet bestaat. Laat ik even 2 voorbeelden geven om het verschil tussen de mogelijkheid van het bestaan van een specifieke contingente entiteit en de mogelijkheid voor het bestaan van een specifieke noodzakelijke entiteit te illustreren

Voorbeeld 1: Is het mogelijk dat ik pakje kauwgom in mijn zak heb zitten? Er is niks logisch tegenstrijdig aan dit idee, dus het is in principe mogelijk dat ik een pakje kauwgom in mijn zak heb zitten. Wil dat echter zeggen dat er ook daadwerkelijk een pakje kauwgom in mijn zak zit? Nee. Er bestaat zowel de mogelijkheid dat ik een pakje kauwgom in mijn zak heb zitten als dat ik geen pakje kauwgom in mijn zak heb zitten. Aangezien een pakje kauwgom een simpele contingente entiteit is, is er een wereld mogelijk waarin ik wel een pakje kauwgom in mijn zak heb en is er een wereld nodig waarin ik geen pakje kauwgom in mijn zak heb. Er niks in het concept van een pakje kauwgom dat het noodzakelijk maakt dat het in mijn zak zit, of dat het er juist niet in zit. Dus het KAN wel dat er een pakje kauwgom in mijn zak zit, maar het HOEFT niet zo te zijn.

Ok, maar nu voorbeeld 2: Is het mogelijke dat het concept van waarheid bestaat? Ja dat is mogelijk. Waarheid heeft echter de eigenschappen van een noodzakelijke entiteit (zoals we in het contingentie argument hebben gezien). Dat wil zeggen dat de mogelijkheid voor waarheid automatisch leidt tot de noodzakelijkheid van waarheid. De enige manier waarop waarheid niet zou kunnen hebben bestaan is als het concept van waarheid logisch tegenstrijdig was geweest. In dat geval zou het concept van waarheid namelijk onmogelijk zijn geweest. Aangezien het concept van waarheid niet logisch tegenstrijdig is, en de eigenschappen heeft voor noodzakelijkheid, betekent dit dat de mogelijkheid voor waarheid automatisch leidt naar het noodzakelijke bestaan van waarheid.

Nu klinkt dat misschien toch nog erg ingewikkeld, maar waar het in feite op neer komt is dat een maximaal groots wezen noodzakelijk bestaat als het maar mogelijk is dat een maximaal groots wezen bestaat. Met andere woorden: Als God KAN bestaan, dan bestaat hij ook.

Laten we het argument nog eens neerzetten maar dan in wat simpelere taal:

1. Als er een mogelijkheid is dat God (een noodzakelijk wezen) bestaat dan bestaat hij ook.
2. Er is een mogelijkheid dat God bestaat
3. Conclusie: God bestaat


Ik hoop dat je nu begint in te zien hoe extreem problematisch de positie van de Atheist eigenlijk is. De Atheïst moet dus niet alleen het bestaan van God ontkennen, maar hij moet 100% zeker weten dat God NIET KAN bestaan. De enige manier voor de gelovige om het bij het verkeerde eind te hebben is als God’s bestaan 100% onmogelijk is.

Stel je dus maar eens het volgende gesprek voor tussen een Theïst (iemand die in God gelooft) en een Atheïst (iemand die niet in God gelooft:

T: “Geloof jij in God”
A: “Nee.”
T: “Maar denk je dat het zou KUNNEN dat er een God is? Ook al is de kans nog zo klein?”
A: “Nou, ik ben er erg sterk van overtuigd dat er geen God is, maar ja het zou natuurlijk wel KUNNEN dat er misschien een God is.
T: “Ok, dus je geeft toe dat God bestaat?”
A: “Huh??”

Zonder dat de atheïst het beseft zegt hij eigenlijk dat God inderdaad bestaat, want er is simpelweg geen tussen positie. De kans dat God bestaat is noodzakelijk 100%. De enige mogelijkheid dat God niet bestaat is als God’s bestaan absoluut onmogelijk is.
Dus als een atheïst consequent wil zijn, zou het gesprek eigenlijk zo moeten verlopen:

T: “Geloof jij in God”
A: “Nee.”
T: “Maar denk je dat het zou KUNNEN dat er een God is? Ook al is de kans nog zo klein?”
A: “absoluut niet! God KAN helemaal niet bestaan. Ik durf met absolute 100% zekerheid te zeggen dat er geen God is, en er is nog niet eens de kleinste minuscule kans dat ik het bij het verkeerde eind heb!”
T: “Nou dan hoop ik voor je dat je heeeeele sterke argumenten hebt om zulke zekerheid te kunnen onderbouwen”

Ik hoop dat je begint in te zien hoe ongelooflijk krachtig Plantinga’s argument nu eigenlijk is. Ookal bewijst zijn argument het bestaan van God niet, het laat wel zien dat de gelovige alleen maar hoeft aan te tonen dat er maar een kans bestaat dat God bestaat maar de ongelovige moet absolute 100% zekerheid hebben dat God niet KAN bestaan, anders zou hij moeten accepteren dat God weldegelijk bestaat.

Besef dus goed dat wanneer een ongelovige toegeeft dat het zou kunnen dat God bestaat, dat dit gelijk staat aan zeggen: “ja, God bestaat”.

Maar is axioma S5 wel zeker waar?

Nu kan de Atheïst natuurlijk proberen om tegen Axioma S5 in te gaan. Maar Axioma S5 is veel minder controversieel dan je denkt. Het concept van “iets dat in alle mogelijke werelden bestaat” is namelijk helemaal niet zo vreemd. Sterker nog, we kunnen zelfs naar iets wijzen waarvan zelfs de Atheïst het erover eens zou moeten zijn dat het in alle mogelijke werelden bestaat, namelijk: logica, getallen, waarheid etc. (hier hebben we het tenslotte al over gehad bij het contingentie argument)

Zelfs de Atheïst zal moeten accepteren dat Logica noodzakelijk bestaat in alle mogelijke werelden. Welke wereld nu ook had bestaan, de wetten van logica zijn gegarandeerd aanwezig, evenals de extensie van logica: wiskunde. We hebben al vast gesteld dat 2+2=7 een onmogelijke wereld vormen.

En als de Atheïst wil beweren dat logica niet in alle mogelijke werelden bestaat, dan moet hij logica gaan gebruiken om tegen logica in te gaan redeneren. Hierdoor zal hij dus noodgedwongen en hopeloos in cirkels gaan redeneren. Zoals ik al eerder heb gezegd: Het is onmogelijk om logica te ontkennen.

Een ander voorbeeld dat ik al heb gegeven is: waarheid. Je kunt geen wereld hebben zonder waarheid aangezien in zo’n wereld het dan ook niet waar zou kunnen zijn dat er geen waarheid is. Een wereld zonder waarheid is een onmogelijke wereld

Maar is dit hele argument niet gewoon goochelen met woorden? Kun je niet gewoon alles als noodzakelijk definiëren en dan via dit argument bewijzen dat het daadwerkelijk bestaat?

Absoluut niet. Wat je namelijk moet begrijpen is dat we “noodzakelijk bestaan” niet als een primaire eigenschap van God benoemen. Het noodzakelijke bestaan van god komt juist voort uit zijn eigenschappen. Met ander woorden:

Het noodzakelijke bestaan van een maximaal groots wezen is het RESULTAAT van zijn eigenschappen.

Ik kan natuurlijk gewoon op de eerste plaats het contingentie argument kunnen gebruiken als ondersteuning van het ontologische argument, maar los daarvan kunnen we de noodzakelijkheid van God afleiden uit de eigenschappen van het God-concept. Laat me dat aantonen:
Een Atheïst zou namelijk kunnen zeggen: “Ok, laten we punt 1 vervangen voor: Het is logisch mogelijk dat een noodzakelijke eenhoorn bestaat. Volgens het argument zou een eenhoorn dus ook daadwerkelijk bestaan?“

Maar dat is niet het geval. Een eenhoorn heeft namelijk niet de eigenschappen die het in staat stellen om noodzakelijk te kunnen bestaan. Een eenhoorn is in feite een paard met 1 hoorn op zijn hoofd. Met andere woorden: het is een materieel, temporeel wezen dat gebonden is aan een specifieke locatie. Kan er bijvoorbeeld een eenhoorn bestaan in een wereld waarin er maar 1 deeltje aan materie bestaat? Of waar geen ruimte is en geen tijd?

Nu kan de Atheïst zeggen: “ja maar dan zeg ik gewoon dat het een immateriële eenhoorn is”.
Het probleem is dat het dan alleen niet langer meer gedefinieerd kan worden als “een paard met een hoorn”. Het is namelijk noodzakelijk voor een dier om een vorm te hebben. Een “vormloos paard” is een betekenisloos concept. Dus dan heb je het niet langer meer over een eenhoorn maar over iets anders.
De Atheïst beschuldigt dus Plantinga van het goochelen met woorden terwijl hij dit zelf doet als reactie op het argument.

Maar wat maakt een maximaal groots wezen dan noodzakelijk?

We hebben al gekeken in het leibniziaanse cosmologische argument naar wat nodig is voor een entiteit om noodzakelijk te zijn. Ik focus me voor het gemak op 1 specifiek aspect en dat is het feit dat een noodzakelijke entiteit niet kan ontstaan (of anders gezegd: beginnen te bestaan) want als het kan ontstaan is het per definitie niet noodzakelijk. Alleen contingente entiteiten kunnen ontstaan. Noodzakelijke entiteiten worden niet voortgebracht maar bestaan per definitie tijdloos en onveranderlijk.

Maar is het mogelijk voor een maximaal groots wezen om te onstaan? Het antwoord is nee en hier is waarom:

Een maximaal groots wezen is per definitie almachtig, alwetend en overal aanwezig. Laten even focussen op de laatste eigenschap. Laten we even indenken dat een maximaal groots wezen wordt gecreëerd door een entiteit buiten zichzelf. Is dat maximale grootse wezen dan overal aanwezig? Nee, want dat zou betekenen dat er een staat in de desbetreffende wereld was waarin het maximale grootse wezen niet bestond. Een entiteit dat niet gebonden is aan een specifieke locatie moet per se een noodzakelijke positie hebben in de desbetreffende wereld.

Kan maximale grootsheid niet onderverdeeld zijn in meerdere entiteiten?

Wat de Atheïst nog kan zeggen is dat het logisch mogelijk zou moeten zijn dat er een wezen bestaat dat wel overal aanwezig is maar dat niet almachtig en alwetend is. Of een wezen dat wel almachtig is maar niet overal aanwezig en alwetend. Met andere woorden: Plantinga’s argument hoeft dus niet noodzakelijk het bestaan van God te bewijzen.

Het is echter helemaal niet mogelijk voor een entiteit om over 1 maximale eigenschap te beschikken en niet over de andere. Stel je namelijk maar eens een almachtig wezen voor dat niet alwetend is. Is dat mogelijk? Nee, dat is niet mogelijk aangezien een almachtig wezen noodzakelijk in staat moet zijn om over alle mogelijke informatie te beschikken. Het zou ook de mogelijkheid moeten hebben om niet aan een specifieke locatie gebonden te zijn. Dus als almachtigheid mogelijk is, dan zijn alwetendheid en overal aanwezigheid ook mogelijk moeten zijn. Nu kan de Atheist zeggen dat almachtigheid misschien niet mogelijk is. Maar dan zegt hij in feite dat hij het niet eens is met punt 1, hij zegt tenslotte dan dat het niet mogelijk is dat een maximaal groots wezen bestaat. Dit heeft geen connectie met punt 3.

Het is toch ook mogelijk dat een BIJNA maximaal groots wezen kan bestaan?

Dat klopt inderdaad, maar hoe weerlegt dat het argument dan? Er is niks noodzakelijks aan het bestaan van een wezen dat bijna almachtig, bijna alwetend en bijna overal aanwezig is. Dus als het OOK mogelijk is voor een maximaal groots wezen om te bestaan dan heb je dus het maximaal groot wezen nodig om het bijna-maximaal groots wezen te maken. Met andere woorden: een bijna-maximaal groots wezen bestaat niet in alle mogelijke werelden en hoeft dus ook niet noodzakelijk in de feitelijke wereld te bestaan.

Ok, dan ben ik het niet eens met punt 1

Dit is inderdaad het standpunt waar de Atheïst noodgedwongen op komt. Hij zal moeten ontkennen dat een maximaal groots wezen KAN bestaan. Maar je hebt argumenten nodig om dit te onderbouwen. De enige manier om dit te doen is door aan te tonen dat het concept van een maximaal groots wezen vergelijkbaar is met het concept van een vierkante cirkel. De enige manier dus voor God om niet te bestaan is als het concept van God logisch tegenstrijdig is. Aangezien dit een bekend Atheïstisch argument tegen het bestaan van God is besteed ik hier aandacht aan in het hoofdstuk over Atheïstische argumenten tegen het bestaan van God. (zie: is het concept van God tegenstrijdig?)

Weet je wat? Ik draai het argument gewoon om!

De Atheïst kan zeggen: maar we kunnen het argument toch ook omdraaien en zeggen:

1. Het is mogelijk dat er een wereld is waarin een maximaal groots wezen niet bestaat.
2. Als het mogelijk is dat er een wereld is waarin een maximaal groots wezen niet bestaat dan bestaat een maximaal groots wezen niet in alle mogelijke werelden
3. Als een maximaal groots wezen niet in alle mogelijke werelden bestaat, dan bestaat een maximaal groots wezen in geen enkele wereld.
4. Als een maximaal groots wezen in geen enkele wereld bestaat, dan bestaat een maximaal groots wezen niet in de feitelijke wereld.
5. Conclusie: een maximaal groots wezen bestaat niet.


En ik zal je het nog sterker vertellen: dat klopt inderdaad. Je kunt het argument inderdaad omdraaien op deze manier. Alleen wat voor nut heeft dat? Er is namelijk geen enkel verschil tussen het omdraaien van het argument en het oneens zijn met Punt 1 van het argument in zijn originele vorm. De Atheïst zegt namelijk dus in feite dat God niet KAN bestaan, want de enige mogelijke manier waarop er een wereld kan bestaan waarin een maximaal groots wezen niet bestaat, is als een maximaal groots wezen gewoon niet KAN bestaan.

Met andere woorden: de Atheïst is het in feite dus met het argument eens. OF god bestaat OF God KAN niet bestaan. De Atheïst zal dus moeten beweren dat God’s bestaan onmogelijk is of hij zal moet accepteren dat God inderdaad mogelijk is en dus bestaat. En dat is precies wat Plantinga’s argument probeert te bevestigen.

Het laatste bezwaar tegen het ontologische argument:

Het laatste bezwaar dat de Atheïst kan inbrengen is dat punt 1 en 3 niet over het zelfde gaan. Namelijk dat punt 3 gaat over logische mogelijkheid en dat punt 1 gaat over epistemologische mogelijkheid. Dit klinkt heel ingewikkeld maar de Atheïst wil hier in feite mee zeggen dat punt 1 onze kennis betreft en punt 3 wat logisch mogelijk is.
Ik kan hier echter bezwaar tegen maken, maar eerlijk gezegd is dat helemaal niet nodig. Want Plantinga’s argument probeert namelijk helemaal niet het bestaan van God te bewijzen. Het argument kan volledig juist zijn en het kan toch nog zo zijn dat God niet bestaat, namelijk als God niet KAN bestaan. Met andere woorden zolang de Atheïst niet kan aantonen dat God niet KAN bestaan, dan is het volledig rationeel om aan te nemen dat God daadwerkelijk bestaat. De Atheïst inderdaad wel zeggen dat hij NIET WEET of God KAN bestaan of niet. Maar hij zegt in feite dan: “Ik weet niet 100% zeker of God 100% zeker niet kan bestaan.” En ik zou zeggen dat wanneer je dat niet zeker weet, dat het rationeler is om aan te nemen dat God’s bestaan wel degelijk mogelijk is, wat dus inhoudt dat Hij daadwerkelijk bestaat.

Conclusie:

De kracht van Plantinga’s argument is niet dat het bewijst dat God bestaat, maar dat het bewijst dat het veel rationeler is om aan te nemen dat God bestaat omdat de enige andere positie die je kan innemen inhoudt dat je met 100% zekerheid kunt aantonen dat God NIET KAN bestaan. Dit is de extreem zware taak die de Atheïst heeft, terwijl de gelovige alleen maar hoeft aan te tonen dat er een kans is dat God bestaat, hoe klein die ook mag lijken, het staat dan toch gegarandeerd gelijk aan een daadwerkelijke 100% kans.